René Lalique

René Jules Lalique trad op zestien jarigeleeftijd aan als leerling goudsmid bij Louis Aucoc in Parijs. Zijn vader was net tevoren overleden en hij was nu de enige man in huis. Lalique woonde destijds met zijn moeder aan de Rue Chapon in Parijs waar zijn vader vertegenwoordiger was van huishoudelijke zaken.

Sydenham College

In 1878, toen Lalique achttien jaar was, verlangde hij ernaar zijn horizon te verbreden en zou hij vervolgens twee jaar in Londen verblijven voor een opleiding aan een polytechnische school voor Art, Science and Literature (Sydenham College), gevestigd in het Crystal Palace. In die periode maakte Lalique kennis met de stroming van de ‘Arts & Crafts’.  Deze stroming was een reactie op de ‘vormvervuiling’ van de industriële revoluties. Die hadden enerzijds ervoor gezorgd dat er een nieuwe elite binnen de maatschappij kon opstaan die niet door familieachtergrond (bijvoorbeeld adel) maar door eigen inspanning vermogen had verworven, zoals de industriëlen en de hogere bourgeoisie, maar ook voor deze eerder genoemde ‘vormvervuiling’.  De vaandeldragers van deze beweging waren John Ruskin en William Morris. Met name de laatste  stond bekend om zijn weelderige ontwerpen voor stoffen en behangdessins.  

Door de Conventie van Kanagawa uit 1854 tussen de Verenigde Staten en Japan werd handel weer mogelijk. Hierdoor kon het Westen kennis maken met de naturalistische aard van Japanse kunst in  het algemeen en in het bijzonder met haar prentkunst.  Morris was erg geïnspireerd geraakt door de naturalistische aard hiervan. Zo ontstond de stroming Art & Crafts. Deze stroming stond zich voor op ‘vakmanschap’ en ‘eerlijk handwerk’ en dat voor de gewone man. Maar omdat handwerk een tijdrovende aangelegenheid is, bleek dit voornemen kunstzinnig gezien een succes, maar sociaal een flop. Lalique had dit gegeven goed in zich opgenomen en zou dit later in zijn carrière wel op een geslaagde manier weten in te passen.

Na een verblijf van twee jaar in Londen, keerde Lalique terug naar Parijs waar zijn talenten direct werden opgemerkt door de artistieke leiders van de grote juwelenhuizen zoals Boucheron, Jacta, Cartier en Henri Vever, waarmee Lalique zeer goed bevriend raakte. Vever had grote bewondering voor Lalique en omgekeerd. De vroege ontwerpen van Lalique dragen nog niet zijn naam maar de uitstraling schreeuwt Lalique alom. 

Huwelijkse perikelen

In 1884 werd Lalique door zijn moeder, Olympe Berthélémy, voorgesteld aan een dame die later Renés vrouw zou worden. Haar naam was Marie-Louise Lambert. Zij was de dochter van Joseph Lambert en Jeanne  Richenet. Omdat haar vader, Joseph, op dat moment al was overleden,  beschikte Marie-Louise over een aanzienlijke som geld. Olympe vond dat René hier gebruik van moest maken omdat het hem een deur bood naar zelfstandigheid. Door Lamberts financiële positie werd Lalique in staat gesteld om het atelier met werknemers van Jules Destapes over te nemen dat aan de Place Gaillon was gevestigd. Ondanks dat er tussen Lambert en Lalique geen sprake van echte liefde was, noemde hij het zijn beste beslissing ooit. In 1887 trouwde Lalique officieel met Lambert en in 1888 kregen zij een dochter, Georgette.

Alice Ledru

Het huwelijk strandde eind 1888 omdat Lalique al een andere dame op het oog had. Haar naam  was Alice Ledru waarmee hij vanaf 1890 zijn leven zou delen. Alice en René verhuizen naar de Rue Thérèse nummer 20 (Parijs) en krijgen in 1892 een dochter die zij Suzanne noemen. Omdat Lambert, op z’n zachts gezegd, niet te spreken was over de beëindiging van hun huwelijk, zou de financiële afwikkeling tussen Lalique en Lambert nog tot 1898 duren. Zij stonden op voet van oorlog met elkaar. 

Na deze slepende scheiding huurt Lalique, in datzelfde jaar, een glasfaciliteit in Clairefontaine, in de buurt van Rambouillet, niet ver van  Parijs. Daar vangt Lalique al aan met het experimenteren met glas met de hulp van zijn goede vriend Jean Ringel d’Illzach. In 1900 krijgen Alice en René nog een zoon, Marc. In hetzelfde jaar exposeert Lalique ook zijn vernieuwende juwelenontwerpen op de ‘Exposition Universelle’ van Parijs waarmee hij de ‘Medaille d’Or’ verwerft en de connotatie 'l'Inventeur du Bijou Moderne'. Het vernieuwende aspect in Laliques juwelen zit in het feit dat hij edelstenen vervangt door glas- of vensteremail. In het Frans heet dit 'Plique-a-Jour'. 

Van juwelier naar glasmaker

Het succes is niet meer te remmen en Lalique verkeert in grote financiële rijkdom waardoor hij grond aan de Seine kan kopen om er een huis op te  bouwen. In 1902 is de bouw (Cours la Reine 40) daarvan voltooid en trekt het gezin Lalique erin. René en Alice trouwen officieel. Vanaf dat jaar verloopt alles in sneltreinvaart en neemt Lalique deel  aan de ‘Prima Esposizione Internazionale d’Arte Decorativa  Moderna’  in Turijn. Daar koopt zijn goede vriend Calouste Gulbenkian, een Brits zakenman van Armeense afkomst, Laliques beroemde corsage ‘Dame Libelulle’. Dit juweel steekt niet alleen vanwege het materiaalgebruik boven de bestaande trenduit maar ook door haar omvang,  26.5 x 23 cm. Zo komt Lalique bekend te staan als de juwelenmaker die hoofdzakelijk om ‘beauté’ of ‘schoonheid’ creeërt en minder voor comfort.

In 1903 neemt Lalique voor de eerste keer deel aan de ‘Salon d’Automne’ en in 1904 aan de ‘St. Louis World Fair (VS). Dan, in 1905, opent Lalique zijn eerste boetiek aan de Place-Vendôme nummer 24. Niet lang daarna vestigde zich parfumeur François Coty op nummer 23, hetgeen tot een lange  samenwerking zou leiden. Lalique was nog immer een juwelier, maar zou vanaf 1907 ontwerpen aan Coty leveren voor diens parfumflacons. Het zal een beslissende impuls aan de  parfumindustrie geven zoals wij  die nu kennen; een totaalontwerp van een flacon, een parfum en een verpakking. In 1908 levert Lalique de eerste flacon ‘L’Effleurt’ aan Coty.  Algemeen wordt Laliques bijdrage aan de parfumindustrie gezien als de transitie van  juwelier naar glasmaker.

Combs-la-Ville

Het overlijden van zijn vrouw Alice in 1909 is een enorme klap  voor  René. Heel even leek het alsof hij niet meer verder wilde maar in hetzelfde jaar neemt hij de beslissing om een grotere faciliteit te huren in Combs-la-Ville ten zuidwesten van Parijs. Het is een gebouw van de elektriciteitsmaatschappij aldaar en Lalique bouwt het om tot fabriek. In 1910 overlijdt Laliques dochter, Georgette, uit zijn eerste huwelijk aan de kraamdood. De fabriek die Lalique vanaf 1909 nog huurde, werd in 1913 zijn bezit. De transitie van juwelen naar glas is nu een feit. Waar men vanuit het gedachtengoed  tijdens de Art & Crafts periode niet in was geslaagd, zou Lalique nu waarmaken.  

Laliques juweliersschap uitte zich nu in de extreem hoge detaillering en afwerking in  de mallen die hij maakte voor het blazen en persen van parfumflacons,  vazen en andere kunstvoorwerpen. De naden die door de mal tijdens het blazen werden veroorzaakt konden na het lossen makkelijk onder invloed van verhitting, worden weggegloeid. En het van oudsher tijdrovende proces van emailleren en brandschilderen werd vervangen door bitumenlak en patineren. Deze methodes die Lalique introduceerde maakten dat industrieel geproduceerde objecten de uitstraling hadden van een handgemaakt object. Iets waar men tijdens de periode van de Arts & Crafts niet in was geslaagd, had Lalique nu tot stand gebracht. Zo werd Laliques droomstof tot ‘nieuwe industriële luxe’.

De Eerste Wereldoorlog gooide, zoals elk type oorlog, roet in het eten. Lalique was nu genoodzaakt de aktiviteiten binnen zijn faciliteit om te buigen van glaskunstproductie naar medisch glaswerk zoals ampullen,  flacons en spuiten. Voor slechts een handjevol parfumeurs blijft Lalique flacons produceren, zoals voor Parfums Arys. In 1920 krijgt Lalique een relatie met een van zijn winkelbediendes, Marie-Jeanne Anère. Samen kregen zij twee kinderen, Raymond en Renée-Georgette en verhuisden van Parijs naar Chaville bij Versailles. Het atelier bijft in Parijs aan de Cours la Reine.

Licht en glas

Kort daarop besluit Lalique in 1921 een nieuwe fabriek te openen als  gevolg van de enorme  vraag die is ontstaan naar zijn ontwerpen. Deze fabriek stond en staat nog immer in Wingen-sur-Moder, Elzas. Het is de periode van de art deco die in 1925 zijn hoogtepunt bereikt door de grote  ‘Exposition Internationale des Arts Décoratifs et Industriels Modernes’ in Parijs en waaraan Lalique ook deelneemt. Aan deze tentoonstelling ontleent de art deco-stijl zijn naam. Lalique schittert hier in een groot paviljoen aan de Cour des Métiers dat gesierd wordt door een veertien meter hoge fontein in het midden, ontworpen door René  zelf. Deze fontein bestaat uit 128 grote glazen vrouwenbeelden van waaruit 128 stralen water in de vorm van een tiara spuiten. Deze fontein werd van binnenuit verlicht en was bij avond een waar licht in de duisternis.

Lalique was overigens ook verantwoordelijk voor de glasontwerpen van de Oriënt-Express, de Wagon Presidentiel, Galerie Lafayette  (Parijs), James Oviatt Warehouse (Los Angeles), Wanamaker Warehouse (Philadelphia), Coty Building (New York), Jay Thorpe (New York),  Magasins Worth (Cannes), Keizerlijk Paleis Prins Asaka (Tokyo), Sassoon-Building (Shanghai), Église Saint-Nicaise (in Reims), Saint-Matthew’s Church (Jersey, canalisland), Chapelle de Fidélité (Douvres-a-Delivrande) en vele andere opdrachten voor particulieren.

Het is Lalique die glas in combinatie met licht presenteert. Een 'schitterend' voorbeeld hiervan is de zogeheten ‘Bouchon de Radiateur’ die als mascotte diende op de voorzijde van een auto. In het donker lichtte het glazen beeld op. Naast kunstenaar bleek Lalique een waar en groot zakenman. Zelfs de beurskrach van 1929 kreeg hem niet klein. Lalique richtte zich op de groep die zelfs tijdens laagconjunctuur geen last heeft van economische neergang: de puissant rijken. Lalique had eerder al opdrachten gekregen voor glasontwerpen voor de luxe oceaanstomers maar zou in 1934 de klapper van het decennium toegeschoven krijgen in de gedaante van het luxepassagiersschip 'De Normandie'. Meer dan 90 ton aan glasontwerpen moest Lalique leveren, hetgeen hem enorm veel emplooi opleverde.

Vanaf 1937 ging het bergafwaarts met Laliques gezondheid als gevolg van vergevorderde artritis die hem in toenemende mate zijn bewegingsvrijheid ontnam.  In datzelfde jaar werd  hij ook nog eens geconfronteerd met de ontrouw  van zijn derde vrouw, Marie-Jeanne. Zij blijft in Viroflay en Lalique keert terug naar Parijs maar hun relatie houdt niet op. In 1939 is Lalique, door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, wederom genoodzaakt de aktiviteiten in de fabriek van Wingen-sur-Moder aan te passen. Deze keer komt de  productie tot stiltand.  De Elzas is dan Duits en Marc Lalique, de zoon van René, heeft de  leiding maar omdat hij Frans is, krijgt hij geen toegang tot de Elzas die dan onder Duits bewind valt.  De instructies lopen per telefoon,  post en telex. 

Herenigd met Alice Ledru

Op 1 mei 1945 blaast René Lalique zijn laatste adem uit. Na de oorlog schreef goede vriend, Calouste Gulbenkian, een brief aan Laliques dochter Suzanne waarin hij zijn goede vriend prijst en vindt dat de wereld een groot kunstenaar en mens armer is geworden die in de ogen van Gulbenkian niet het juiste volume aan erkenning heeft gekregen. Maar Gulbenkian weet dat René  het zo heeft gewild en besluit zijn brief daarmee. René Lalique ligt begraven op het kerkhof Père Lachaise in Parijs samen met zijn moeder, zijn zoon Marc, dochter Georgette en zijn muze Alice.

©2020 Lalique Gallery. Alle rechten voorbehouden | Fotografie Linda Roelfszema | Privacyverklaring